KennisPrijs en calculatie

Indexering: zo voorkom je dat je marge over de looptijd verdwijnt

Je kostprijs stijgt elk jaar. Lonen, materialen, brandstof. Je prijs stijgt mee, maar alleen zoals het contract dat toestaat: met een bepaalde index, op een bepaalde datum, soms pas na een paar jaar. Het verschil tussen die twee betaal je zelf. Wie daar aan de voorkant geen rekening mee houdt, ziet zijn marge elk jaar een stukje teruglopen.

Atvalio · oktober 2026 · 7 min lezen

Geschreven door de redactie van Atvalio: mensen die jarenlang zelf inschreven op aanbestedingen. Over ons

Wat is de CPI, en wat doet het CBS?

Het CBS, het Centraal Bureau voor de Statistiek, meet hoe prijzen en lonen in Nederland zich ontwikkelen. Die cijfers worden in veel contracten gebruikt om prijzen jaarlijks aan te passen. Welke reeks, welk cijfer en welke maand, lees je uitgebreid in CBS-indexen voor indexering.

De bekendste is de consumentenprijsindex, de CPI. Die meet hoeveel de prijzen veranderen van de goederen en diensten die huishoudens kopen: boodschappen, energie, huur, vervoer. De CPI is een indexcijfer ten opzichte van een referentiejaar. Sinds februari 2026 is dat 2025, dat de waarde 100 krijgt. Een index van 104 betekent dan dat het pakket 4% duurder is dan in 2025. De procentuele stijging ten opzichte van dezelfde maand een jaar eerder noemen we de inflatie.

  • CBSConsumentenprijsindex (CPI)De prijsontwikkeling van wat huishoudens kopen. De meest gebruikte index in contracten.
  • CBSContractuele loonkostenDe ontwikkeling van cao-lonen inclusief de sociale lasten voor werkgevers. Volgens het CBS de volledigere keuze voor het loondeel van een contract.
  • CBSCao-lonenDe ontwikkeling van de lonen volgens cao’s, zonder de werkgeverslasten.
  • CBSDiensten- en producentenprijzenDe prijsontwikkeling per sector of product. Handig als je kosten vooral uit één soort materiaal of dienst bestaan.

Er is ook een Europese variant van de CPI, de HICP. Het CBS adviseert de gewone CPI te gebruiken, tenzij in het contract uitdrukkelijk de HICP staat. En de rekenregel is altijd dezelfde: nieuwe prijs is oude prijs maal nieuwe index gedeeld door oude index.

De gangbare methodes

In de conceptovereenkomst staat hoe er geïndexeerd wordt. Lees die bepaling altijd vóór je gaat rekenen. Dit zijn de varianten die je het vaakst tegenkomt.

  • Welke indexCPI, loonkosten of een mixEén index, of een gewogen combinatie, bijvoorbeeld 70% loonkosten en 30% CPI. Hoe beter de mix past bij jouw kostenopbouw, hoe kleiner je risico.
  • Welke maandEén maand of een gemiddeldeDe stijging van bijvoorbeeld oktober op oktober, of het gemiddelde over twaalf maanden. Een gemiddelde beweegt rustiger, maar loopt achter.
  • WanneerVaste datum of zodra het speeltEén keer per jaar op een vaste datum, of zodra een kostenstijging zoals een nieuwe cao ingaat. Het tweede is voor jou gunstiger, maar komt minder vaak voor.
  • Vanaf wanneerDirect, of pas na een tijdSoms mag je pas na het eerste of tweede contractjaar indexeren. Tot die tijd draag je elke kostenstijging zelf.
  • GrenzenPlafond of drempelEen maximum per jaar, of pas indexeren boven een bepaald percentage. Een plafond beschermt de opdrachtgever, maar kan bij hoge inflatie hard aankomen.

Waar je marge weglekt

Je marge loopt terug op drie plekken. De index stijgt minder hard dan jouw kosten, bijvoorbeeld omdat je vooral loonkosten hebt en de CPI een ander verloop heeft. De indexering komt later dan de kostenstijging. Of je mag de eerste jaren helemaal niet indexeren.

Vooral die datums worden onderschat. Stel dat je lonen elk jaar op 1 januari stijgen met de cao, en je mag pas per 1 juli indexeren. Dan draag je elk jaar een half jaar lang de hogere kosten zelf. Bij een loonstijging van 4% is dat zo’n 2% van je loonkosten, ieder jaar opnieuw, ook als de index precies gelijk oploopt met je kosten.

Indexering volgt een index, niet jouw kosten. Wat ertussen zit, betaal je zelf.

Zo reken je het door

  1. Kijk naar het verledenWat stegen jouw kosten de afgelopen jaren, en wat deed de index in dezelfde periode? Het verschil is je beste schatting van het gat.
  2. Reken twee totalen uit over de looptijdEén met de prijs die je nodig hebt als die meegroeit met je kosten. Eén met dezelfde startprijs, maar alleen geïndexeerd zoals het contract toestaat. Het tweede totaal valt lager uit.
  3. Verhoog je startprijsVerhoog de prijs in het eerste jaar tot het tweede totaal gelijk is aan het eerste. Dan heb je over de hele looptijd gedekt wat je nodig hebt.

Een vereenvoudigd, fictief voorbeeld. Je kosten stijgen 4% per jaar. Het contract indexeert met de CPI, die je op 2,5% per jaar schat, en pas vanaf het derde jaar.

Contract van 3 jaarBedrag
Wat je nodig hebt, als je prijs meegroeit met je kosten€ 3.121.600
Wat je ontvangt met dezelfde startprijs en de indexering uit het contract€ 3.025.000
Tekort over de looptijd€ 96.600
Startprijs die het gat dicht€ 1.031.934 (3,2% hoger)

Fictief voorbeeld, zonder rente of geldontwaarding. Startprijs jaar 1 zonder correctie: € 1.000.000.

En als je niet weet hoe lang het duurt?

Bij optiejaren beslist de opdrachtgever of het contract doorloopt. Dan weet je bij het inschrijven niet over hoeveel jaar je moet rekenen. En dat maakt veel uit, omdat het gat elk jaar groter wordt.

Zelfde voorbeeld, met 2 optiejarenGevolg
Gerekend op 3 jaarStartprijs 3,2% hoger
Gerekend op 5 jaarStartprijs 5,1% hoger
Gerekend op 3 jaar, maar de opties worden gelichtJaar 4 en 5 samen ruim € 99.000 te weinig

Fictief voorbeeld.

Reken daarom beide scenario’s door en kies bewust. Reken je op de volledige looptijd, dan ben je duurder en verdien je extra als de opties niet worden gelicht. Reken je op de vaste looptijd, dan ben je scherper, maar draag je het risico in de optiejaren. Wat je ook kiest: weet wat het kost.

En vind je de indexering niet passend, bijvoorbeeld de CPI voor een opdracht die vooral uit loonkosten bestaat, of indexeren pas na twee jaar? Stel er een vraag over in de nota van inlichtingen. Een goed onderbouwde vraag kan een betere index of een eerder moment opleveren, voor iedere inschrijver.

Die vraag helpt ook op een andere manier. Het grootste risico is de inschrijver die niet doorrekent: die biedt scherper, wint misschien, en heeft er zelf jaren last van. Elke inschrijver leest het antwoord in de nota van inlichtingen. Wie het risico nog niet zag, wordt erop gewezen, en rekent er misschien alsnog mee.

Reken het uit met de rekenhulp indexering: voor diensten, leveringen en werken, met je eigen kostenopbouw, de datums uit je cao en van je leverancier, en de bepaling uit het contract.

Een scherpe prijs in jaar één is niets waard als je in jaar vier verlies draait.

En in je cijfers?

Een hogere startprijs heeft een gevolg voor je resultaat. In de eerste jaren verdien je meer dan je kosten, later minder. Boek je dat overschot meteen als winst, dan lijkt het contract eerst goed te draaien en later verlieslatend, terwijl het over de hele looptijd precies klopt.

Zet het overschot daarom opzij en laat het over de jaren vrijvallen, zodat je resultaat het contract eerlijk laat zien. Hoe je dat in je jaarrekening verwerkt, bespreek je met je accountant. De rekenhulp laat per jaar zien hoeveel je opzij zet en wanneer dat het hoogst is.

WAAR HELPT ATVALIO BIJ?

Atvalio haalt de indexeringsbepaling uit de conceptovereenkomst en zet hem voor je op een rij: welke index, welke maand, welke datum, vanaf welk jaar en met welke grenzen, met de pagina erbij. Het rekent met jouw kostenopbouw en jouw inschatting door wat dat betekent voor je marge over de looptijd, ook bij optiejaren en indexering halverwege het jaar, en laat zien welke startprijs het gat dicht. Jij bepaalt je prijs, en jij dient in.

Atvalio Tenders komt binnenkort. Sta je op de wachtlijst, dan kun je als eerste starten met een proef van 14 dagen op een echte tender.

Wil je dit door Atvalio laten doen?

Je krijgt eerst een mail om je adres te bevestigen. Afmelden kan met één klik. Meer in onze privacyverklaring.

Bronnen